Een waarom om voor te leven
Viktor Frankl was een Weense psychiater toen hij tijdens de Tweede Wereldoorlog naar nazi-concentratiekampen werd gedeporteerd. Hij verloor zijn familie, zijn werk, alles wat hij had. Midden in die verschrikking merkte hij iets op dat later de kern van zijn werk zou worden: niet per se de fysiek sterksten overleefden psychologisch het best, maar vaak degenen die vasthielden aan een bepaalde zin om voor door te gaan — iemand om naar terug te keren, een onvoltooid werk, een eigen reden.
In 1946 publiceerde hij De zin van het bestaan, waarin hij die ervaring beschrijft en de basis legt voor de logotherapie, een benadering die ervan uitgaat dat mensen zingeving nodig hebben, niet alleen plezier of afwezigheid van pijn, om overeind te blijven. In het boek haalt hij een zin aan die hij toeschrijft aan Nietzsche en die zijn centrale idee samenvat: "Wie een waarom heeft om voor te leven, kan bijna elk hoe verdragen." Het is niet dat lijden ophoudt pijn te doen; het is dat een duidelijke zin je iets geeft om je aan vast te houden zolang het duurt.
Dit idee, geboren in de ergst denkbare omstandigheden, heeft een heel alledaagse toepassing. Wanneer werk zwaar is maar je voelt dat het ertoe doet, draag je het beter dan comfortabel, leeg werk. Wanneer je voor iemand zorgt en weet waarom je het doet, weegt de vermoeidheid anders. Zin neemt de moeilijkheid niet weg, maar verandert je relatie ermee: het is niet langer alleen een last, het wordt ook een doel.
Je hoeft geen concentratiekamp mee te maken om dit toe te passen. Het is genoeg om jezelf, tegenover wat je nu moeilijk vindt, af te vragen wat jouw waarom is. Soms verdwijnt het hoe daar niet door, maar geeft het je wel de kracht om erdoorheen te gaan.
Vraag jezelf bij iets wat je nu moeilijk vindt af: wat is mijn waarom hier? Het verandert de moeilijkheid niet, maar het kan je de kracht geven om het te dragen.
Bron: Frankl, El hombre en busca de sentido, 1946